ENGLISH

Band coaching

Als bandcoach heb je ongetwijfeld het meest te vertellen over de rol van je eigen instrument in een band. Echter, als je voor het eerst een band gaat coachen is het belangrijk dat je álle deelnemers iets aan te reiken hebt. In dit document wil ik materiaal aanbieden wat verzameld is door studenten en collega-docenten te vragen naar de typische dingen die steeds weer terug komen bij beginnende bands. Het is geenszins een compleet of uitputtend werkstuk, het moest vooral een praktisch document worden.

Inhoudsopgave

Opstelling

De inrichting van de oefenruimte is nogal bepalend voor wie waar gaat staan. Het drumstel en de speakers hebben meestal een vaste plaats, maar de versterkers van gitaar en bas kunnen vaak verplaatst worden. Het is belangrijk dat de bassist en de drummer goed contact hebben, en de gitarist en toetsenist moeten als het even kan ook oogcontact met dit ritmetandem hebben. Vaak wil de bassist naast de drummer staan, en je daarom zou het totale ritmeviertal in een soort halve cirkel kunnen zetten.

Oogcontact is belangrijk voor de cues en andere vormen van communicatie, maar wat natuurlijk ook speelt is dat iedereen elkaar moet kunnen hóren. Als het gaat om de plaatsing van de versterkers zijn er enkele wetenswaardigheden. De basversterker produceert frequenties met golflengtes van enkele meters. Het kan zijn dat de bassist recht voor zijn versterker staat en niet onder de indruk is van zijn volume, terwijl spelers die een paar meter verderop staan een onvrijwillige buikmassage krijgen. Het is daarom een idee om de basversterker wat verder weg van de bassist te zetten, en de speaker zo te richten dat de bassist én de drummer zich in de baan van de versterker bevinden. Op die manier kan het volume beperkt te blijven.

De gitaarversterker produceert kortere golflengtes, maar ook daarvoor geldt dat als deze op de grond staat vooral de kuiten van de gitarist worden beroerd. Als je de versterker op een tafeltje zet richting de oren van de gitarist is het niet nodig om de knoppen te ver open te draaien.

Een laatste opmerking over versterkers: het is niet verstandig de bas met een gitaarversterker te versterken. Die is daar niet voor bedoeld, en je hebt kans dat de electronica dan de geest geeft.

In over-akoestische ruimtes met stenen wanden kunnen de reflecties het geluid enorm versterken. Als het de spuigaten in het vuur van het spel toch uitloopt is het verstandig om oordopjes in te doen. Er zijn legio musici met dips in het gehoorspectrum, of erger nog: met een permanente piep in hun oren.

Drums

Drummen is een motorisch complexe bezigheid, omdat vier ledematen ritmisch precies moeten samenwerken. Als bandcoach is het een goed idee om ook eens achter het drumstel te kruipen en eens te proberen het allersimpelste ritme een minuut of 2 vol te houden. Probeer ook maar eens een fill te slaan, dan heb je een idee waar drummers zoal rekening mee hebben te houden!

Om te beginnen is de rol van de drummer natuurlijk het ritme strak neer te leggen, en wel zodanig dat elke maat van de groove hetzelfde voelt. Als er onrust in de groove zit kan niemand er lekker op spelen! De meeste muziek kent een ritmische onderverdeling van de beat in tweeën, drieën of vieren – dus achtstes (zeg bossa), triolen (zeg swing) of zestienden (funk). De taak van de drummer is om die onderliggende ‘grid’ helder en strak te spelen, zodat iedereen zijn of haar noten in dat bedje kan leggen. Als je als bandcoach ontdekt dat hier onrust in zit kun je de drummer vragen dit thuis met de metronoom te oefenen, het probleem naar diens drumleraar mee te nemen, of in de repetitie het tempo te verlagen en iederéén samen even heel bewust op dat ritmische raster te laten concentreren.

Tempoverlaging is overigens voor bijna álle problemen een manier om een microscoop op de materie te zetten en te analyeren waardoor het niet loopt. Je bewust zijn van de ritmische onderverdeling (subdivision in het Engels) is al een grote stap op weg naar verbetering.

Een andere rol voor de drummer is het muzikaal verbinden van de vormdelen van het stuk. Als bijvoorbeeld het couplet overgaat in het refrein is het gebruikelijk dat de drummer dat refrein voorbereidt met een simpele fill, of dynamisch ondersteunt. Drummers hebben een vocabulair nodig om dit te doen, een soort repertoire aan fills die goed werken. Uiteraard zijn daar allerlei drumboeken voor, maar als bandcoach is het ook belangrijk dat je de drummer iets kan voorzingen wat in de buurt komt van wat de bedoeling is.

Ervaren bandcoaches kennen het verschijnsel: als de muziek luider wordt is er een neiging (niet alleen bij drummers!) om ook wat te versnellen. Dat gebeurt soms al in een fill. Er zijn apps (zoals EasyBPM) die gedurende het stuk het tempo meten en de fluctuaties griezelig goed in beeld brengen. Dat is meestal niet altijd even prettig om te constateren, maar wel leerzaam natuurlijk.

Ook als je zelf nog nooit gedrumd hebt is het leuk om te observeren hóe drummers op het vel slaan. Bij echt goede drummers zie je vaak een soort lichtheid, alsof ze de hele avond zouden kunnen doorspelen zonder moe te worden. Er wordt wel eens een onderscheid gemaakt tussen ‘in het vel slaan’, of de toon ‘uit het vel laten komen’. Je kunt een goed geluid produceren door de stok met je pols en vingers een ‘upstroke’ te laten maken, die net iets boven het vel begint, als een soort zweepslag. De hoogte van de upstroke en de snelheid van de samentrekking van de vingers en polsbeweging bepalen niet alleen het volume, maar ook de precieze timing van de slag. Meestal levert het een duidelijker klank op, en krijgt het een zekere mate van intentie, en dat is iets anders dan volume. De speelmanier die met veel spierkracht gepaard gaat kan leiden tot te hard spel en levert mogelijk ook eerder spierpijn en blessures op.

De sound van hi-hat en bekkens worden grotendeels bepaald door de ‘touch’ van de stok op het cymbal (zijkant van de stok bij crashes of op hi-hat, de tip van de stok op de ride of hi-hat).

Een veelgemaakte ‘fout’ is het vastdrukken van de bassdrumklopper tegen het vel, waardoor de lage toon uit de trommel al bij voorbaat gedempt wordt. Als effect kun je dit natuurlijk wel gebruiken. Het is mogelijk om de bassdrum goed te dempen met een laag schuimrubber of een kussen onderaan het vel, zonder de diepte uit het geluid te halen.

Sommige drumpartijen zijn voor een minder ervaren drummer moeilijk om exact te kopiëren. Door de complexe motoriek kan het zijn dat de strakheid op de helling gaat. Als je merkt dat dat aan de hand is, vraag dan de drummer eens om de groove te reduceren tot de simpelst mogelijke combinatie van bijvoorbeeld bassdrum, snare en hi-hat. Dus geen fills, geen lastige trommelwisselingen, geen dubbele strokes. Pas als dat machientje goed loopt met de andere ritmespelers kun je de complexiteit stapje voor stapje weer uitbreiden, mits de groove er niet onder lijdt. Als bandcoach zou je kunnen voorzingen wat de bedoeling is, maar misschien kan de drummer het ook zelf bedenken.

Als je met de band werkt aan een stuk waarin geimproviseerd wordt is het voor de solist fijn als deze af en toe een reactie krijgt op zijn of haar ideeën. Goede solisten werken met patronen en accenten en laten ruimte voor interactie. Als je als bandcoach merkt dat er weinig gebeurt op dit gebied kun je de spelers uitnodigen alleen materiaal te spelen waar de ander wat mee kan! Dit is zo’n moment waarop je zelf even je instrument kunt pakken om in overdreven vorm voor te doen wat je bedoelt. Dus: vijf accenten of meer herhalen tot de drummer met je meegaat, hele maten rust laten vallen zodat iemand anders in zo’n gat kan springen, enz. Op die manier ben je echt letterlijk met elkaar aan het spélen, en dát is natuurlijk waar het om gaat! Je moet niet net zo goed Band-In-A-Box of iRealPro op kunnen zetten, want dan is de interactie nihil. Als je die vergelijking gebruikt begrijpt iedereen wat je bedoelt.

Samen met de drums is de bas de belangrijkste time keeper. Ook de bassist moet exact en vooral consistent op de grid spelen, maar het moet gezegd worden dat in bepaalde stukken de bas wel een fractie kan verschillen met de drums. Juist een miniem timingsverschil kan een groove heel spannend maken. De bas kan een beetje voor de drums zitten, of er juist een tikje lui achteraankomen. Als je wel eens met midigeluiden in de computer werkt weet je dat het straktrekken van de timing (quantizen heet dat) nog geen garantie is voor een lekkere ‘feel’. Met de computer kun je makkelijk experimenteren met kleine timingsverschillen tussen bas en drums, en dan kom je erachter dat ‘feel’ zit in fracties van slechts enkele miliseconden.

Of de band met dit soort informatie ook meteen beter gaat spelen valt nog te bezien, maar het samen luisteren naar stukken waarin die groove extreem lekker op zijn plaats zit is een goed begin. In het ideale geval gebeurt dat in het origineel van het stuk dat op het repertoire staat. Als bandcoach is het een goed idee om alle spelers hierbij te betrekken, want uiteindelijk heeft iedereen belang bij een zekere gevoeligheid voor precizie in de timing. Het leren luisteren naar de ‘onderkant’ in de muziek is iets waar sommige musici aan moet wennen, zeker als hun oor zich primair op de melodie of de tekst richt.

Dat de aanzet van de tonen van de bas goed op het ritmische raster liggen is inmiddels wel duidelijk, maar wat ook meespeelt is het moment waarop die toon eindigt. Het moment van stoppen van de noot is in feite een ritmische gebeurtenis, een puls! Als je het gevoel hebt dat de groove van een gecoverd nummer net een beetje anders klinkt dan het origineel is het een idee om daar eens op te letten. Om het te vergelijken kun je tegenwoordig gemakkelijk met een smartphone even een stukje opnemen en ter plekke met het origineel vergelijken. Dat laatste geldt voor allerlei andere zaken in de muziek natuurlijk evengoed: zitten we goed qua tempo, klopt de drumpartij met het origineel, enz.

Niet alle bassisten zijn even handig met het afstellen van de basversterker. In een goed basgeluid speelt een hele ketting aan parameters een rol: de snaren, de manier plaats van bespelen van de snaren, het element en andere electronica, de afstelling van de bas, de kabel, de pluggen, en natuurlijk de versterker zelf. En dan is het ook nog maar de vraag wat het te spelen stuk of het repertoire voor soort basgeluid nodig heeft. Een metalig dun geluid is op zichzelf misschien niet fraai, maar het kan best zijn dat als de andere instrumenten mee gaan doen, het totale plaatje toch klopt! Als dat niet het geval is zul je als bandcoach hooguit iets kunnen proberen op de versterker zelf. Je kunt experimenteren met meer of minder treble, meer of minder bass, en experimenteren met de gain. Kom je er niet uit, kijk dan eens of er niet een bassist in de buurt is die even kan helpen, hetzij met die versterker, hetzij met die andere schakels uit de genoemde ketting.

Er is een kleine typisch bassistenoefening waar iedereen in de band iets aan zou kunnen hebben als het gaat om het leren voelen van die ‘subdivision’ waarover je in het hoofdstuk over drums al hebt kunnen lezen. Denk voor het voorbeeld in zestienden, maar het kan gemakkelijk worden omgezet naar triolen:
Zet een metronoom op de kwart, en zing eerst 4 zestienden per tel:
Takataka Takataka Takataka Takataka. Waarschijnlijk geeft je van nature de noot op de tel een accent, hier voor het gemak aangegeven met een hoofdletter. Verleg dat accent nu eens naar de tweede noot van het groepje:
taKataka taKataka taKataka taKataka. En laat in de volgende stap de noten die geen accent kregen eens weg. De ‘grid’ moet in je achterhoofd dus op een bepaalde manieer doorlopen. Vervolgens verplaats je dat accent naar de derde zestiende, en tot slot de vierde.

Toetsen en gitaar

Wat je voor de bas net over sound hebt gelezen geldt voor gitaar en toetsen in het kwadraat! Met uitzondering van de akoestische piano zijn er met gitaren, versterkers, keyboards en effectapparaten honderden verschillende geluiden mogelijk. Niet zelden zijn specifieke geluiden bepalend voor de signatuur van het nummer. Om zo’n geluid exact te kopiëren is veel ervaring nodig. Zelfs als je alle denkbare kastjes en knopjes tot je beschikking hebt moet je het afstellen nog steeds helemaal zelf doen, en daar komt net zoveel bij kijken als een chef-kok die een sterrenmenu bereidt. Het onderwerp valt buiten de scope van dit werkstuk, maar er zijn wel tips voor het samenspel van keys en gitaar in de band.

Beide instrumenten verzorgen de harmonie in de muziek: het bedje van de akkoorden, uiteraard voorzien van de nodige ritmiek. Als er verschillende sounds worden gebruikt is het zaak om volumeverschillen van de sounds goed in de gaten te houden. Als de toetenist wisselt van Fender Rhodes geluid naar de veel penetrantere clavinet moet dat in balans zijn. Toetsenisten in coverbands zijn veel tijd kwijt met de organisatie van hun sounds, en controle over het volume is daarbij enorm belangrijk. Voor gitaristen geldt hetzelfde, die wisselen vaak van sound door middel van knopen en pedalen die ze met hun voeten bedienen. Ook dat vergt de nodige voorbereiding en ervaring.

Onderlinge volumes zijn dus belangrijk, maar een andere factor die meespeelt is het register waarin gespeeld wordt. Als de vocalist bijvoorbeeld in een middenregister zingt, en de toetsen en de gitaar spelen daar ook, dan verdrinkt de tekst al gauw en misschien lost de hele zangmelodie wel op. Daar valt iets aan te doen zonder direct het kanaal van de zang open te draaien. Als bijvoorbeeld de toetsenist in een wat lager gebied gaat spelen, en de harmonie invult met liggende akkoorden of kleine opvullinkjes tussen de zang, dan kan de gitarist ritmische patronen spelen, eventueel wat hoger op de hals. Op die manier krijgt de zang ruimte en ontstaat er evenwicht in het totaalplaatje. Hier ligt een lastige klus voor de bandcoach omdat gitaar en toetsen elkaar best vaak in de weg zitten. Je kunt beginnen door de spelers bewust te maken van wat de ander doet, door ze bijvoorbeeld even samen te laten spelen zonder zang en drums, eventueel wel met de bas erbij.

Zang

Als je de instrumentalisten in een band vraagt waar het liedje over gaat, dan heb je grote kans dat ze het antwoord schuldig moeten blijven. Hun focus ligt domweg ergens anders. Het is een open deur, maar de inhoud van de tekst is natuurlijk van invloed op de interpretatie, en voor de bandcoach ligt er een mooie taak om de spelers hiervan bewust te maken. Een breekbare tekst verdraagt wellicht geen gitaargeluid met distortion. Of misschien juist wel! In ieder geval is duidelijk dat tekstbewustzijn niet alleen voor zangers van belang is.

Nog zo’n open deur: als je wilt dat de luisteraars ook begrijpen waar het stuk over gaat moet de zang goed bovenop de band liggen, en de zanger moet goed articuleren en klank maken. Je kunt aan de spelers vragen of ze de zang goed kunnen horen. Soms is het probleem al op te lossen door wat minder hard te spelen, of iets aan de versterking te doen.
Als er in een vreemde taal gezongen wordt is er soms wat aandacht nodig voor de uitspraak.

De bandcoach die zelf een geschoolde zanger is heeft ongetwijfeld een goed verhaal over zangtechniek, maar voor een instrumentalist ligt dat vaak wat lastiger. Toch kun je aan de manier van zingen en de houding van de zanger het een en ander zien. Als je een introverte, enigszins opgerolde houding ziet (schouders naar voren, borstbeen naar binnen) dan heb je kans dat de klank al opener wordt als je vraagt om iets meer vitaliteit en openheid bij het zingen. Een klassieke truc is vragen om te staan alsof iemand aan zijn of haar kruintje omhoog wordt getrokken, dat kan meteen een soort alertheid opleveren, met minder spanning in de stem. Het kan ook zijn dat je de klank wat dunnetjes, wat ielig vindt. In dat geval kun je beter vragen om een beetje door de knieën te gaan bij het zingen, waardoor er als het ware wat meer geaardheid in komt. De klank krijgt dan vaak wat meer body, wordt wat steviger.

Een paardenmiddel om het lichaam goed te activeren bij het zingen is de zangers te vragen om een korte frase eerst ‘gewoon’ te zingen, en dan dezelfde zin op de hurken te produceren, d.w.z. rechtop, met de hakken van de grond. Dat kan een enorm verschil opleveren, en maakt de zangers bewust van wat er allemaal in de stem nog te ontwikkelen valt. Als er meerdere zangers meedoen zul je merken dat de stemmen dan ook veel beter mengen.

Waarom is dit een paardenmiddel? Door op je hurken te zingen activeer je een klein spiertje bij je schaambeen (de pyramidalis) dat verbonden zit aan een bindweefselstring (de linea alba) die verbonden is aan het borstbeen. Dat is een belangrijk mechanisme bij de uitademing en is van invloed op het strottenhoofd. Echter, het hele sixpackje van je buikspieren wordt ook geactiveerd, en bij een goede fijnafstelling van het systeem wil je juist de spierspanning minimaliseren. Alles wat in het lichaam te strak staat, zoals spieren en botten, resoneert minder goed en blokkeert de subtiele energieën. Dat is iets wat professionele instrumentalisten overigens evengoed zullen beamen: als je piano speelt of drumt moet je lijf ook op allerlei manieren los en flexibel zijn, en is de verbinding met de adem evident.

Blazers

De tips die je bij zang hebt gelezen zijn vrijwel allemaal ook op blazers van toepassing. Zet de blazers op hun hurken en er gaat een wereld voor ze open!

Als de band maar 1 blazer heeft, zoals een trompettist of saxofonist, is deze redelijk vrij om lijntjes tussendoor te vlechten (al dan niet geimproviseerd) of hier en daar een solo te spelen. Is er sprake van meerdere blazers dan wordt er meestal gewerkt met arrangementen, en in veel gevallen is de bandcoach degene die voor de partijen moet zorgen.

Als je schrijft voor blazers is het belangrijk om een idee te hebben wat je spelers aankunnen. Als je te hoog schrijft komen die noten er gewoon niet uit, of je spelers zijn na veel duwen en persen dusdanig gesloopt dat er voor de andere nummers geen ‘embouchure’ meer over is. Embouchure betekent lipspanning. Sound, hoogte en uithoudingsvermogen vergen veel oefening, en het is een heel geconcentreerd spelletje om de adem om te zetten in een effectieve trilling van het riet of de lippen die een mooie klank teweegbrengt.

Verder heeft een blazer natuurlijk te maken met allerlei coordinatiezaken: de adem, de tong en de vingers moeten goed samenwerken om in het ritme te blijven. Bij een partij die technisch te moeilijk is gaat de timing al gauw op de helling. Als bandcoach kun je benadrukken dat de timing belangrijker is dan het raken van alle noten. Als het stuk zich er voor leent kun je misschien wel eens een oefening doen waarbij je de lijnen expres in een te hoog tempo aftelt, en dat je ze leert zich er doorheen te bluffen zonder de timing op te offeren. Dat kan door alleen de belangrijke noten te raken (bijvoorbeeld die op de 1, of de hoogste noot) en de rest zo goed en zo kwaad als het kan ertussen te moffelen of anders weg te laten. Met meerdere blazers heb je kans dat de lijn gemiddeld dan toch nog aardig uit de verf komt. Het nadenken over welke noten dan eigenlijk het belangrijkst zijn levert ook de nodige leermomenten op.

Natuurlijk wil je dat de blazerslijnen strak klinken. De noten moeten binnen de sectie niet alleen op hetzelfde moment beginnen, maar ook gelijk stoppen, anders valt er aan het eind een van de akkoordtonen weg. Spelen wat er staat is dan belangrijk, maar leer de blazers ook naar elkaar te luisteren. Als de bovenste stem (de ‘lead’) bijvoorbeeld geen adem of embouchure meer over heeft om de noot voldoende uit te spelen, is het toch muzikaler als de andere blazers de lead volgen en niet botweg de noot doortrekken omdat het nu eenmaal zo in de partij staat. Uiteraard geef je als bandcoach of dirigent eenzelfde aandacht aan de uitvoering van de dynamische aanwijzingen en de articulatietekens. Let ook op een zekere verzorging van de noten die wat langer zijn. Het klinkt heel mechanisch als met de noot helemaal niets gedaan wordt. Met een kleine dynamische op- en afbouw van de noot, of een toefje vibrato krijg je er al een stuk meer leven in.

Stijlen en vormen

Elke stijl heeft als het ware bepaalde formules, en als bandcoach van een band die in zo’n stijl speelt moet je die formules kennen. In de jazz moet je een verhaal hebben over swing timing en improvisatie, in salsa mag het concept van de clave geen geheimen voor je hebben, in reggae moet je weten wat dat typische gitaartje nou precies voor spannends doet met de time, etcetera. Tango, funk, Engelse wals, merengue, New Orleans style, dixieland, big band, salonmuziek – het aantal soorten en smaken is eindeloos, en als je wat meer ervaring hebt ga je ook luisteren naar de opbouw van zo’n stijl en proberen de code te kraken. De stijl is eigenlijk van zichzelf al een soort arrangement.

Ook in de vorm van de stukken binnen zo’n stijl zijn bepaalde wetmatigheden te vinden. Een liedje (in wat voor stijl dan ook) begint vrijwel nooit direct met de tekst: er gaat toch bijna altijd wel een intro aan vooraf. Als bandcoach kun je - al dan niet samen met de band - een intro bedenken om de groove, de toonsoort en het tempo neer te leggen, zodat de luisteraar als het ware kennismaakt met het stuk.

Andere delen zoals couplet en refrein zijn natuurlijk in allerlei stijlen terug te vinden, gewoon omdat ze het ‘verhaal’ van het liedje in zich dragen: de melodie en de tekst.

Als de kern van het verhaal verteld is kan er nog van alles gebeuren. In de jazz en diverse andere stijlen gaan enkele solisten doorgaans over het akkoordenschema improviseren. De solo is in feite een persoonlijk antwoord of aanvulling van de solist op het verhaal van de melodie en de tekst, en heeft daar idealiter ook duidelijk mee te maken. Daarbij is het belangrijk dat de begeleiders in dialoog met de solist gaan door deze te ondersteunen, te volgen, te voeden, uit te dagen, enzovoort. Bij simpele vormen als de blues of modale muziek kun je ondersteunende (blazers)riffjes laten improviseren terwijl de solist doorgaat met zijn verhaal.

Verder kom je onder verschillende namen uitgewerkte meerstemmig geharmoniseerde instrumentale blokken tegen. In de jazz heet dat bijvoorbeeld een interlude of ‘special chorus’, in de salsa kennen we de mambo (een lijntje van 4 of 8 maten dat 4 maal herhaald wordt). Soms worden dit soort vormdelen geimproviseerd, maar gebruikelijker is het als de arrangeur zich hierop lekker heeft uitgeleefd.

Het uitro fungeert in feite als het ‘afscheid’ van het liedje, en dat kan ook weer op eindeloos veel manieren worden vormgegeven: met een fade out, een repeterend lijntje dat op een gegeven moment stopt, een ritmisch figuurtje van slechts een paar noten, een koortje, een lange noot met een fermate, of een totale heksenketel waarbij iedereen zoveel mogelijk lawaai maakt - tot er iemand afslaat. Een eindje is als een dessert: het is het laatste wat in je mond blijft hangen en moet dus lekker smaken! Een nette afronding van een stuk maakt een professionele indruk, en mag je als bandcoach zeker niet onbenoemd laten.

Partijen

Goede partijen klinken beter! Hoe meer informatie er in staat hoe minder kans er is op interpretatieverschillen. De arrangeur is vaak al blij als alle noten voor de verschillende stemmen uitgewerkt zijn, en om dan ook nog alle details die in het origineel of de midi-demo te horen zijn op te schrijven, daar heb je dan misschien wel geen zin meer in. Toch is het goed verzorgen van de partijen een investering die zich in het repetitieproces driedubbel terugverdient. Dat komt omdat lang niet iedereen de tijd heeft of neemt om te luisteren naar opnames. Waar kun je zoal op letten?

Ten eerste is het verstandig om in de partij vormaanduidingen te zetten. Als je kunt zeggen ‘mensen, we beginnen bij letter B’ en iedereen heeft die informatie in de tekst of de partij staan, dan verlies je geen tijd. Dat kan ook met kleine omschrijvingen zoals simpelweg ‘refrein’, ‘couplet 2’ of een citaat uit de tekst. Voor de spelers is het voor het overzicht ook prettig als de vormblokjes, die vaak bestaan uit 4 maten of een veelvoud daarvan, terug te vinden zijn in de uitlijning. Maak er bijvoorbeeld een gewoonte van om een nieuw vormdeel op een nieuwe regel te laten beginnen. Verder is het gebruikelijk om maten rust op te tellen. Als er een rij van 17 lege maten staat is het makkelijker om tot 17 te tellen dan om met je ogen die lege maten mee te lezen. Een andere tip is op zijn tijd kleine ‘cue-nootjes’ of ‘stig-nootjes’ te schrijven waaraan de speler kan zien wat een ander instrument op een gegeven moment aan het spelen is, zodat je kunt zien waarop je moet aansluiten.

Ten tweede: zet op elke noot waarbij getwijfeld kan worden over de lengte of sterkte een articulatieteken. Het notenschrift is met de stokken, bolletjes en rusten uiteindelijk toch wat beperkt, en de articulatietekens completeren dat systeem. Dus: ‘staccato’-puntjes voor korte noten, streepjes voor brede ‘portato’ noten, liggende V’s voor accenten, en omgekeerde V’s voor ‘marcato’: geaccentueerd en gesepareerd. Stel je voor dat je dit voor een bigband met 13 blazers verzuimt: je speelt het een paar keer door en binnen de kortste keren heeft iedereen gedaan wat hem of haar goeddunkte. Als je dan pas afspraken en aantekeningen gaat maken moet er weer van alles worden afgeleerd, en dat kost enorm veel tijd. Voor dynamische tekens geldt uiteraard precies hetzelfde, dus noteer hoe sterk je een bepaalde passage wilt hebben (pp, p, mp, mf, f en ff) en gebruikt crescendo’s en descrescendo’s als je de ontwikkeling geleidelijker wilt laten verlopen.

De noten zelf moeten natuurlijk ook kloppen en speelbaar zijn. Als arrangeur moet je verstand van stemvoeringen hebben, maar om een idee te hebben wat voor soort lijnen goed werken voor bepaalde instrumenten moet je ook de nodige luister- en/of speelervaring hebben. Als je het idioom waarvoor je schrijft goed kent wordt je schrijfwerk allicht beter.

Repertoire

De bandcoach kan de stukken kiezen, maar je kunt er ook een democratisch proces van maken. Hoe dan ook, bij het vinden van een geschikt stuk zijn er veel zaken die je moet afwegen.

Als het origineel door een man gezongen wordt, en de band heeft een vrouwelijke leadzangeres (of andersom) dan heb je grote kans dat je de toonsoort moet veranderen. Soms moet je de toonsoort wel een kwart verplaatsen, en dat heeft dan weer gevolgen voor bijvoorbeeld de blazerslijntjes die in een minder gunstig register komen. Realiseer je ook dat toonsoorten een absolute kwaliteit hebben, dat wil zeggen dat elke toonsoort zijn eigen sfeer en gevoel oproept. Dat wisten componisten van eeuwen geleden al, en er zijn zelfs lijstjes die elk van de 24 toonsoorten koppelen aan een bepaalde stemming. Zo wordt F-mineur gekoppeld aan een grafstemming, en E-majeur bij wijze van spreken aan een zonnige lentedag. Als je dus een fris en fruitig nummertje in E een halve toon lager zet omdat het net aan de hoge kant is voor de vocalist, dan heb je kans dat je een sfeer oproept die past bij een flinke plensbui! Kortom, met transponeren kun je niet zomaar van alles doen.

De beschikbare instrumenten en het niveau van de spelers zijn uiteraard van invloed. Soms wil je een nummer exact kopiëren, maar het er zijn ook genoeg stukken die zich lenen voor een ander tempo, of met vereenvoudiging of weglating van bepaalde lijnen nog prima overeind blijven. Als je plezier beleeft aan het tóevoegen van instrumenten, zoals blazers of strijkers, kijk dan of het stuk wel ruimte heeft om de zang te ondersteunen of lijntjes tussendoor te vlechten. Er zijn beperkingen aan het aantal ideeën wat de luisteraar tegelijkertijd kan verwerken.

Een veelgemaakte fout is het overzetten van strijkerspartijen naar blazers. Veel soul- en discomuziek uit de jaren ’70 is met strijkorkest opgenomen, maar coverbandjes hebben zelden strijkers aan boord. Als je die virtuoze en vaak herhalende vioollijnen uit het origineel in de blazers legt blazen ze mogelijk de zang weg, hun embouchure wordt in korte tijd opgesoupeerd, en het is ook maar de vraag of ze het snelle vioolwerk technisch kunnen bijhouden. Met een synthesizer met een goede sample met een snelle attack werkt het vaak stukken beter. Een alternatief is de strijkerslijntjes weg te laten en nieuwe blazersriffs te verzinnen die de zang niet in de weg zitten.

Tot slot moet je afwegen wat de bedoeling van je band is. Wil je het podium op met een band met een bepaalde signatuur, dan zoek je naar stukken met stijlovereenkomsten. Gaat het om een improvisatieworkshop, dan kijk je meer naar akkoordenschema’s waar de beginnende solist iets mee kunt. Het combineren van een jazz-bluesje met een funky 1-akkoordnummertje is dan helemaal geen probleem. Het kan ook zijn dat de band met een bepaald onderwerp of ritme moeite heeft, en dan je besluit een stuk te kiezen (of te schrijven) wat exact dat probleem aan bod laat komen. In het verlengde hiervan ligt de vraag of je moeilijk of makkelijk repertoire wilt spelen. Als de band voor een nummer kiest wat iedereen gaaf vindt, is het helemaal niet erg als het een eindje buiten de comfort zone ligt. Ook al klinkt het uiteindelijk niet half zo lekker als het origineel, je kunt toch veel opsteken van het uitpluizen ervan, en het kan stimuleren om verder aan je techniek te werken.

Ambities

Binnen een band kunnen de ambities en ontwikkelmogelijkheden verschillend zijn. Ervaring, speelniveau, talent, smaak, en de beschikbare tijd en energie om te oefenen spelen allemaal mee. Als de verschillen onderling te groot zijn kan dat een bron van spanningen zijn. Laten we er van uitgaan dat je als bandcoach bent gevraagd om de band te laten groeien en beter te laten spelen. Het helpt in ieder geval als je er voor zorgt dat iedereen aan het eind van de repetitie precies weet waar hij of zij aan moet werken. Geef gerust huiswerk op, eventueel in een e-mailtje. Stem je opdrachten af op de individuele spelers: de een krijgt iets basaals, de ander een pittige uitdaging, maar zorg wel dat ergens naartoe gewerkt wordt en straal uit dat je verwacht dat iedereen zijn steentje bijdraagt om de band verder te helpen. Als er in de repetitie iets uitgezocht moet worden wat thuis ook gedaan had kunnen worden moeten degenen die hun zaakjes wel voor elkaar hebben daarop wachten en gaan zich misschien vervelen. Repeteren kost bovendien ook geld: oefenruimtes zijn meestal niet gratis, er worden reis- en parkeerkosten gemaakt, en deelnemers betalen soms ook contributie. Zonde dus om de tijd niet efficient te gebruiken!

Een band is een maatschappijtje in het klein. Je hebt introverte deelnemers en extraverte, je hebt initiatiefnemers en volgers, je hebt macho’s en muurbloempjes, je hebt gevoelsmensen, techniekfreaks, ADHD’ers, kletskousen, enzovoorts. Als bandcoach moet je meer kunnen dan iets zinnigs over de muziek te zeggen hebben: je hebt bepaalde voelsprieten nodig om de sociale krachten in een band te kanaliseren. Hoe je dat doet? In algemene zin is het moeilijk daar iets over te zeggen omdat je als bandcoach ook een maar gewoon mens bent met vergelijkbare labels. Er zijn bandcoaches met een bepaalde horkerige stijl die het toch voor elkaar krijgen dat bandleden voor hem of haar door het vuur gaan. Niettemin is goed om na te denken hoe je de overdominante te spelers een beetje weet te temperen en de meer gevoelige zielen feedback geeft zonder dat ze slecht slapen na de repetitie. Humor is overigens het beste smeermiddel in deze materie.

Big Bands

Een bigband heeft een wat andere dynamiek dan een band van zes of zeven spelers. Je hebt te maken met dertien of meer blazers, en een ritmesectie van bas, piano, drums en meestal ook gitaar. Met zoveel personeel ben je echt de muzikaal leider, en dat betekent dat je ook actief de leiding moet nemen. In zo’n rol ben je voortdurend keuzes aan het maken. Help je 1 speler met de partij, dan zitten 16 anderen te wachten, dus moet je aanvoelen hoeveel tijd je daar aan kunt besteden. Als je voorbeeld-opnames gaat beluisteren in de repetitie klinkt het soms ‘ja maar ik kom hier om te blazen!’. Hoe meer je ervoor kan zorgen dat de voorbereiding van het materiaal buiten de repetitie wordt gedaan, hoe meer ruimte je hebt voor het samenspel.

Muzikaal gezien is het een uitdaging om de frasering van de drie blazersgroepen gelijk te krijgen en het evenwicht tussen de secties te bewaren. Dat betekent dat er veel aandacht gaat zitten in het lezen en spelen van de articulatietekens. Als dirigent moet je die fraseringen actief kunnen voorzingen. De taal die daarvoor het beste werkt zijn de woordjes uit de bebopwereld: doedap-tadaa en dergelijke, een idioom wat je eigenlijk alleen in de praktijk kunt leren door in bigbands te spelen. Overigens kun je het een en ander delegeren door de spelers te leren de lead van de sectie te volgen, en dat geldt niet alleen voor articulatie, maar ook voor dynamiek en verfijnde nootverzorging qua vibrato, lengte en afsluiting - mits de lead dat ook kán natuurlijk. Gebruikelijk is ook om voor dit soort details sectierepetities te organiseren onder leiding van de lead of de dirigent.

Op het podium staan de trompetten meestal achteraan, de trombones zitten op de rij daarvoor (idealiter op een verhoging), en de saxen zitten op de voorste rij. Door die opstelling hoort het koper vaak niet wat er in de saxen gebeurt. Voor het balanceren van de volumes en het ruimte geven aan elkaars melodielijnen is dat natuurlijk wel belangrijk. Elke speler moet een zeker idee van het totaalplaatje hebben om te begrijpen welke rol hij of zij daarin speelt. Als dirigent is het daarom goed om de secties afzonderlijk te laten spelen. Wat ook goed werkt is bij de repetitie de blazers in een u-vorm op te stellen, zodat de trompetten bijvoorbeeld tegenover de saxen zitten.

Elkaar kunnen horen is niet alleen voor de frasering en de dynamiek belangrijk, ook het mengen en de intonatie binnen en tussen de secties draagt bij aan de kwaliteit van de muziek. Je kunt beginnen met de spelers om de beurt een noot te laten spelen met een stemapparaatje in de hand, maar dat is nog lang geen garantie voor zuiverheid. Met een blazer die een mooi gecentreerd geluid met veel boventonen heeft kun je beter mengen dan met iemand met veel bijgeluiden en een gruizige kern. Bij spelers met een minder goed geluid zit de oplossing zelden in het afstemmen, omdat er altijd frequenties zijn die botsen.

  • Moet je als bigbandleider ook echt kunnen dirigeren? Bij sommige stukken komt de klassieke dirigeerslag zeker van pas, maar veel bigbanddirigenten redden zich prima zonder, omdat de groove in de ritmesectie het stuk al voldoende draagt. Belangrijk is in ieder geval dat je:
  • goed kunt aftellen, waarbij duidelijk is hoeveel maten je de tijd neemt en hoe een eventuele opmaat daar in verwerkt zit. Met ghostnootjes kun je iets van de groove suggereren: geshuffeld, straight, funky, e.d.
  • een lekker en speelbaar tempo kunt kiezen;
  • de overgang naar nieuwe vormdelen kunt aangeven;
  • solisten tijdig kan attenderen op het chorus waarin ze aan de beurt zijn;
  • dynamiek kunnen aangeven;
  • spelers kunt ophitsen of uitlokken tot gewaagdere artistieke prestaties,
  • en dergelijke.
Mocht het bij een bepaald stuk toch nodig zijn om de maat echt te slaan, dan vind je op internet gemakkelijk een site of een filmpje met de basisprincipes van het dirigeren. Bij lastige stukken met veel maatwisselingen e.d. komt natuurlijk veel meer kijken, en dan zul je misschien les moeten nemen.

Bij koperblazers heb je te maken met dempers. Het tijdig in- en uithalen van de juiste dempers hoort ook bij het repeteren. De trompettisten gebruiken in traditioneel materiaal de wat scherpe straight mute, de fluwelige cup mute, de harmon mute (het Miles Davis geluid), de bucket mute (een soort wattendoos om een wolliger bugel-achtig geluid te krijgen) en de plunger (een echte gootsteenontstopper voor een gesmoord geluid waarmee ook een grappig wah-wah effect bereikt kan worden). Zonder plunger kun je je hand voor de beker houden, maar dat effect is veel minder sterk. Je kunt dus in het algemeen niet aan de sound van de sectie werken als niet iedereen de complete set dempers bij zich heeft – een klassieke ergernis van dirigenten en spelers. NB: Trombonisten gebruiken ook plungers, en in mindere mate de andere dempers. Die andere dempers zijn overigens onhandig groot: je kunt een sporttas vullen om het hele boeltje mee te nemen.

Bigbands bestaan soms al decennia, en bouwen in de loop der jaren een groot repertoire op. Sinds de komst van snel internet is het vinden van repertoire (legaal of illegaal) steeds makkelijker geworden. De mappen van elk instrument zijn dan ook vaak vuistdik. Dat is op zich niet erg, maar een andere klassieke ergernis is dat de hele band zit te wachten als zo’n map niet op volgorde ligt. Als dirigent kun je dit voorkomen door vooraf door te geven welke stukken je wilt repeteren, of een lans te breken voor het alfabet. In toenemende mate zien we tablets op de lessenaar, en dat is voor de organisatie van de partijen bepaald wel een zegen.

Koren

Het leiden van een koor is een vak apart. Heb je te maken met geoefende zangers die van blad kunnen zingen dan blijft het bouwwerk al gauw overeind staan, maar in de amateurwereld komt het veel vaker voor dat mensen niet of nauwelijks noten kunnen lezen en is het instuderen vaak een tijdrovende bezigheid. Repertoirekeuze is dan ook enorm belangrijk: je moet in staat zijn om in te schatten of een stuk voor jouw zanggroep zingbaar is.

Als dirigent moet je om te beginnen alle stemmen van het stuk kennen en kunnen voorzingen. Dat vergt de nodige voorbereiding. De techniek helpt overigens vaak een handje: je kunt mp3-tjes of midi-flies rondsturen zodat de zangers thuis kunnen oefenen. Veel materiaal is op het internet te vinden, en anders kun je ze met notatie- of opname-software zelf maken. Maak dan tracks voor alle stemmen waarbij de te oefenen stem het luidst is, en de andere stemmen zachtjes in de mix liggen zodat er een harmonische context is.

Als de repetitie begint is het gebruikelijk om een paar oefeningen te doen om het lijf en de stembanden op te warmen. Meestal komt daar ook wel een beetje rekken en strekken bij, bijvoorbeeld om de ademhalingsspieren even expliciet te voelen. Dergelijke opwarmoefeningen zijn makkelijk te vinden op het internet. Inzingen is nodig om te zorgen dat de zangers de hele repetitie kunnen ‘uitzingen’, en om te voorkomen dat er blessures ontstaan door overbelasting. Een goede warming-up is vaak het ook lekker om te doen: mensen kunnen zich even uitrekken en een paar keer lekker gapen om de spanning van een gewone werkdag van zich af te gooien.

Bij een nieuw stuk mag je hopen dat iedereen de noten heeft bestudeerd, maar dan nog kun je er van uitgaan dat je alle stemmen even apart aandacht moet geven om de lijnen in het hoofd te prenten. Als je met een stemgroep werkt zitten er drie niets te doen. Met de sopranen ben je meestal het eerst klaar omdat ze de melodie zingen, en dat is meestal ook nog een keer de best bezette stemgroep. Om te voorkomen dat de verveling toeslaat is het een goed idee om alle zangers álle stemmen mee te laten oefenen. Ze blijven dan niet alleen lekker bezig, maar ze krijgen dan ook meer gevoel voor de harmonie waarin hun eigen partij ligt en hoe de fraseringen bij polyfoon materiaal op elkaar aansluiten.

Als het koor zingt zonder pianobegeleiding zul je tegen het natuurlijke verschijnsel aanlopen dat de stemming lager wordt. Dat heeft iets te maken met de neiging om zuiver te willen zingen. In de getempereerde stemming van een moderne piano zijn alle intervallen een fractie vals gemaakt omdat de natuur ons een boventonenreeks heeft bezorgd die niet zo mooi regelmatig is als we zouden willen. Veel koordirigenten zijn wel in staat om het koor zelf te begeleiden op de piano. Dat voorkomt het afdalen van de stemming, maar als je zelf meespeelt is het wel moeilijker om je oren open te houden voor het verloop van allevier de stemgroepen. Werken met een aparte pianobegeleider of begeleidingsopname is een alternatief.

Koren uit verschillende landen klinken anders! Dat komt omdat in iedere taal de vorming van de woorden weer een beetje anders is. Het Duits ligt breed in de mond waarbij je je wangen wat optrekt, zeker bij lettergrepen als ‘ich’ en dich’. Vergelijk je dat met het Frans, dan is dat veel spitser, met een meer getuite mond zoals in ‘oui’. Engels, en zeker het Britse Engels is weer veel ronder en donkerder, zoals in ‘he’. Het Amerikaanse Engels klinkt veel nasaler. Je kunt dit soort vergelijkingen gebruiken om je zangers te leren spelen met de plaatsing van de woorden in de mond. Je kunt vragen om het bijvoorbeeld wat Britser te laten klinken, of juist wat Duitser. Het zingen van stukken in verschillende talen is zeker een mogelijkheid om bewustwording op dit gebied te vergroten.

Nog een paar puntsgewijze tips voor het werken met koren:

  • Zorg dat iedereen in de juiste stemgroep zit.
  • Zing of speel de begintonen van de stemgroepen voor in het juiste octaaf
  • Oefen op de timing van slotmedeklinkers: als de laatste letter een d of een t is wil je die maar één keer horen!

Improvisatie

Als er in het repertoire ruimte is voor improvisatie krijgt je rol als bandcoach weer een nieuwe dimensie. Als je musici nog weinig ervaring hebben met improvisatie moeten ze soms enige schroom overwinnen om de eerste stappen te zetten. De spelers moeten zich vooral veilig voelen. Dat kun je doen door te stellen dat als het misgaat er op geen enkele manier schade ontstaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een hobby als bergbeklimmen. In zo’n stadium geef je natuurlijk vooral veel positieve energie en juich je iedere goedbedoelde poging toe.

Je kunt ook kiezen om de solist tijdens een solo een beetje uit te dagen, door bijvoorbeeld te gebaren dat het best nog wat hoger of luider mag. Of je actief door de band loopt om de musici uit hun tent te lokken, of dat je rustig in een hoekje luistert om na afloop feedback te geven is een kwestie van aanvoelen. De stijl van bandcoachen wordt bepaald door de musici en de persoonlijkheid van de coach zelf. Er zijn geen vaste recepten in de trant van ‘zo moet het’.

Speel of zing ook zelf af en toe dingen voor, en hou daarbij in de gaten dat je lijntjes gebruikt die de musici zelf ook zouden kunnen verzinnen en spelen. Als docent moet je kunnen intunen op het niveau van de speler. Als je er een hoop virtuositeit tegenaan gooit heb je kans dat je leerling zich geïntimideerd voelt en zelf niet meer durft. Laat liever zien hoe je alleen al vanuit kleine variaties in de melodie voorzichtig de gebaande paden kunt verlaten, of hoe je met slechts een handjevol verschillende noten al een verhaaltje kunt vertellen.

Ook je repertoire stem je natuurlijk af op het niveau van de band. Klassieke instapnummers om de eerste schreden op impro-gebied te zetten zijn Blue bossa, Summertime, Autumn leaves, en natuurlijk is de blues ook stijl die in een beginnersworkshop niet mag ontbreken. Bij dat soort stukken hoef je nog niet al te veel van akkoorden en toonladders te weten, al kan het handig zijn om de toonvoorraad van de bijpassende majeur, mineur, blues- of pentaladder even voor te zingen.

Als het gaat om samenspel kun je niet vroeg genoeg beginnen met het benoemen van de noodzaak van interactie in de band. De muziek wordt meteen tweemaal zo leuk als er naar elkaar geluisterd en op elkaar gereageerd wordt. Uiteraard is voor zo’n muzikaal gesprek tweerichtingverkeer nodig. Als de solist alles voltettert en nooit eens een gaatje laat vallen of een paar repeterende accenten speelt krijgen de begeleiders de kans niet. Maar als die ruimte er wel is en de begeleiders zitten te slapen ontstaat die dialoog evenmin. Op dit vlak moet je als bandcoach kunnen laten horen wat jij zou spelen om de begeleiders uit te dagen om in te haken op je ideeën. Dat zoek je dan natuurlijk in ritmiek, in patronen, lijnen, ofwel eigenlijk alles wat je ooit over melodieanalyse hebt geleerd. Hou het simpel, en als je hieraan werkt kies dan ook een makkelijk stuk, of een ultrakorte akkoordverbinding. Ook is het handig om voorbeelden bij de hand te hebben van opnames die een heldere demonstratie zijn van dit soort samenspel. Als je het in de jazz zoekt: het album Smokin’ in the Pit van de groep Steps wordt vaak genoemd als album waar gevorderde musici eindeloos naar hebben geluisterd, en dat geldt ook voor het album van pianist Michel Petrucciani getiteld Live in Tokyo.

Technische hulpmiddelen

Als een stuk in de steigers staat is het altijd een goed idee om het even op te nemen en (samen) af te luisteren, hetzij in de repetitie, hetzij thuis. De spelers kunnen dan alle aandacht richten op het luisteren naar hun eigen partij en het samenspel, en daar soms heel goede opmerkingen over maken. Ook als (niet meespelende) bandcoach kan het zijn dat je in zo’n opname andere dingen hoort omdat er in de intensiteit van het geluid ook details verloren gaan. Een ander voordeel is dat de vorm van het stuk in zo’n opname is vastgelegd, zodat je bij de volgende repetitie het wiel niet opnieuw hoeft uit te vinden.

Als je een cover speelt kan het nuttig zijn om tussendoor af en toe te luisteren wat er in het origineel gebeurt. Vooral voor het voelen van het tempo en het checken van de groove kan zo’n korte geheugenopfrissing de uitvoering verbeteren.

Als je een eigen of originele opname over de mengtafel af wil draaien, zorg er dan voor dat je een snoertje bij je hebt van twee tulpstekkertjes naar mini-jack.

De metronoom is een hulpmiddel om je musici op een onwrikbare externe puls te laten spelen. Er zijn electronische apparaatjes en metronoom-apps voor de smartphone, en ook die kun je met dat essentiële snoertje over de speakers in de oefenruimte afspelen. Je kunt het gebruiken met een bepaalde passage van een stuk, maar je kunt er ook geïsoleerde oefeningetjes mee doen om te werken aan het basale ritmegevoel.

Voor het zichtbaar maken van tempofluctuaties zijn handige apps beschikbaar. EasyBPM bijvoorbeeld luistert naar de puls en tekent een behoorlijk accurate tempografiek, waarmee gemakkelijk te zien is in welke gedeeltes er gejaagd of vertraagd wordt.

Andere apps die je spelers thuis kunnen gebruiken om een passage in loops en een rustiger tempo te oefenen zijn The Amazing Slowdowner of het concurrerende Transcribe!.

De toonaangevende app die voor begeleiding kan zorgen is iRealPro. Als je bassist of je drummer bijvoorbeeld een keer verhinderd is kun je diens partij uit iReal halen. Van interactie is dan natuurlijk geen sprake, maar zo’n app gaat wel strak en onvermoeibaar door!